Monumenten en beschermde gebouwen

Algemeen

Via Inventaris Onroerend Erfgoed kun je de monumenten en beschermde gebouwen in detail bekijken. Deze website werd gerealiseerd door Onroerend Erfgoed, dat is een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen beschermt en inventariseert. Je dient door te klikken op het gebouw om na te gaan of het om een monument of beschermd gebouw gaat.

Stadhuis Pax Intrantibus

Stadhuis Pax IntrantibusHuize 'Pax Intrantibus', Latijn voor 'Vrede aan hen die hier binnentreden', werd in1883-1884 gebouwd door wijn- en likeurhandelaar Camille Ameye-Dobbelaere. Dat gebeurde naar de plannen van de Brusselse architect Albert Dumont, die overigens in 1890 met die plannen nog een gouden medaille won op een internationale wedstrijd in Edinburgh.


Camille Ameye speelde een veelzijdige rol in het politieke, sociale en culturele leven van de stad. Zijn echtgenote en hijzelf waren zeer goed bevriend met toondichter Peter Benoit, die in dit huis meermaals te gast was. Hij moet er meer dan één werk geheel of gedeeltelijk hebben gecomponeerd.


Het huis Ameye is gebouwd in neo-renaissancestijl van hoge kwaliteit. In de bakstenen voorgevel is rijkelijk natuursteen verwerkt.


Aan de voorzijde bevindt zich de vroegere eetkamer, nu trouwzaal, eveneens in Vlaamse neo-renaissancestijl. Vallen op : een plafond met geprofileerde moer- en kinderbalken, kruisvensters met glasramen waarin wapenschilden en symbolen van de ambachten zijn verwerkt, en een marmeren schouw met roodmarmeren zuilen en ionische kapitelen.


Aan de achterzijde vindt men een luchtiger salon in neo-Lodewijk XVI-stijl (nu schepenzaal), geschilderd in tinten van groen, rose en goud. Men bemerkt onmiddellijk een druk lijstwerk met festoenen, guirlandes, consoles en portretten in medaillons.


Het huidige kabinet van de burgemeester was vroeger de 'huiskamer'.


Bijzondere aandacht verdient ook de trap, met een leuning van balusters, waartussen geajoureerde panelen zijn aangebracht.

De kinderen van Camille Ameye waren allen muzikaal gevormd. Vandaar dat in de familiekring druk werd gemusiceerd. In de vroegere eetzaal vindt men dan ook een uitgebouwd podest, waarop destijds menig concert of recital ten beste werd gegeven.


Prachtig zijn eveneens de vloermozaïeken in de toegangshall. Let op de ineengestrengelde letters 'A' en 'D', die staan voor 'Ameye-Dobbelaere'. Dezelfde initialen vindt men terug in de arduinen plint van de voorgevel.


Het huis Ameye was destijds het rijkste in een egale rij van min of meer waardevolle woonhuizen uit ongeveer dezelfde bouwperiode. De nog intacte rij tussen het stadhuis en het station werd beschermd als stadszicht, omwille van de begeleidende waarde bij het monument.

Kasteel Blauwhuis


Het kasteel Blauwhuis is zeker het imposantste gebouw van de hele stad. Het 11,2 ha grote park is met het kasteel geklasseerd als stadszicht.

Sinds 1 april 2017 stelt de Stad Izegem, in samenwerking met de eigenaar “vzw Gillès de Pélichy”, dit prachtig groen domein open voor het publiek.

Het Kasteelpark  is toegankelijk tussen zonsopgang en zonsondergang. Fietsers en wandelaars kunnen terecht op de daartoe aangeduide wegen en paden. 

 

Kasteel Blauwhuis

Het neoclassicistische kasteel ‘Blauwhuis’ krijgt zijn huidige vorm in de jaren 1880, maar heeft een veel oudere geschiedenis - de eerste vermelding dateert uit 1544. Sinds 1981 is het kasteel beschermd als monument.

Het kasteel gaat terug op een pachthoeve van het heerschap van Schiervelde. Tijdens het ancien régime was het heerschap in het bezit van de familie de Heurne. Vanaf 1807 werd het doorgegeven aan Baron Jean de Pélichy naar aanleiding van zijn huwelijk met Marie-Joséphine van Heurne. Vanaf 1872 is het in het bezit van de familie Gillès de Pélichy nahet huwelijk van Baron Louis Gillès de Pélichy  met Marie de Pélichy.

De pachthoeve wordt voor het eerst vermeld in 1544 als Blauwhuis of Blauwpoorte; de naam verwijst naar de blauwe kleur van het leien dak. In het vierde kwart van de 17de eeuw wordt de hoeve, in opdracht van J.F. van Heurne verbouwd tot buitenplaats. In 1794 wordt het kasteel zwaar beschadigd door Franse troepen, waarna het hersteld wordt.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt het kasteel ingenomen door de Duitse bezetter. In 1918 steekt de bezetter bij de  aftocht het munitiedepot in brand, waardoor het zogenaamde "boomforeest" (beukenbos), aangeplant in het begin van de 19de eeuw, volledig afbrandt. Enkel de boom waaraan een Mariakapel hangt, blijft staan. Deze beuk staat nog steeds in het huidige park. Ook de hoeve wordt volledig vernield door brand.


Familie Gillès de Pélichy

De adellijke familie Gillès de Pélichy speelt een belangrijke rol in de sociale geschiedenis van Izegem. In 1806 richt de familie het klooster de Pélichy op, en de school ‘Ave Maria’, op gronden geschonken door de zoon van Baron van Huerne. Kosteloos onderwijs wordt zo voorzien, na de afschaffing van het klooster der grauwzusters, die sinds de 16de eeuw deze taak vervulden. In de 2de helft van de 19de eeuw kent de school een enorme bloeiperiode onder impuls van priester Joseph de Pélichy.

Tijdens de voedselcrisis van de jaren 1840 deelt de familie brood uit en ze financiert in 1898 ook de bouw van het neogotische Gildenhuis in de Kruisstraat - een verenigingshuis voor arbeiders.

De meest geëngageerde telg van de familie is Charles Gillès de Pélichy (1872-1958) - hij wordt weleens de rode baron genoemd omdat hij zo begaan is met het lot van de Izegemse arbeiders. In 1900 gaat hij hen zelfs vertegenwoordigen in de Kamer. Op dat moment geldt het algemeen meervoudig stemrecht: iedere volwassen man heeft een stem, maar rijke mensen kunnen tot drie extra stemmen krijgen. In de praktijk betekent dat dat arbeiders nooit zelf verkozen kunnen raken. Ze moeten dus rekenen op gefortuneerde, sociaal geëngageerde mensen, als de rode baron.

De familie Gillès de Pélichy blijft in het kasteel wonen tot 1984. 

 

Het Kasteeldomein

Het Blauwhuis is uitgebouwd op gedeeltelijk oudere grondvesten en omgeven door een wal. Het park is aangelegd in Engelse landschapsstijl.

In het loofhoutbosje achterin het park wonen al een tiental jaar blauwe reigers in een kolonie. Om de rust te bewaren verzoeken we u dan ook om dit gebied niet te betreden. Het gebied is bovendien heel drassig en moeilijk toegankelijk.

 

Praktisch


Het kasteeldomein heeft 3 ingangen: Ingang via Gentseheerweg, ingang via Kasteelstraat en ingang achterin het park.

Kom je met de wagen? Parkeer makkelijk op P1 (brandweer) of P2 (goederenstation) en neem de ingang achterin het park of de ingang via de Kasteelstraat.

 

 

Het is niet toegelaten om met de wagen op het terrein te rijden. Foto's nemen in het kasteel is niet mogelijk.

 






Kastelen Wallemote en Wolvenhof

CREATOR: gd-jpeg v1.0 (using IJG JPEG v62), quality = 75

De kasteelbouwers van Wallemote-Wolvenhof waren twee broers uit een welvarende familie van Izegemse grootgrondbezitters. Hun overgrootvader Jozeph Vanden Bogaerde werd bij de Belgische onafhankelijkheid in 1830 als burgemeester van Izegem benoemd en bleef dit tot zijn overlijden in 1832. Zijn kleinzoon Valére Vanden Bogaerde werd in 1900 als zevende burgemeester van Izegem verkozen en bleef dit tot zijn plotse dood in 1904. De Burgemeester Vanden Bogaerdelaan in het centrum van Izegem draagt zijn naam. Valére gaf de aanzet tot de bouw van beide kastelen maar het waren zijn twee oudste zonen, Emile en Gaspard, die de plannen uitvoerden.

 

De familie Vanden Bogaerde stelde de Izegemse stadsarchitect Jules Vercoutere aan als ontwerper van de kastelen Wolvenhof, Wallemote en bijgebouwen. In 1912 werd gestart met de bouw van de kastelen en met de aanleg van de bijbehorende parken. Een terrein van 12 ha werd volledig vergraven voor de aanleg van vijvers en voor het ophogen van terreinen. De Vanden Bogaerde’s kochten ook voor 1800 fr een openbare weg, die door hun parken liep, van de stad Izegem aan.

 

Wolvenhof

Naast kastelen verrezen er ook een gebouw met twee personeelswoningen, paardenstallen en koetsenberging evenals een portierswoning tegenaan de Kokelarestraat. In het park van

Wolvenhof werden een mooie boogbrug en een prieeltje met zuilen gebouwd. De twee oudste zonen van Jules Vanden Bogaerde gingen hun intrek in de kastelen nemen. Voor Emile was het Wolvenhof bestemd, zijn initialen vinden we op de leuning van de brug. Gaspard kreeg Wallemote, zijn initialen zien we bovenaan op de voorgevel; op de achtergevel is het bouwjaar 1913 vermeld. Beide kastelen bezaten gemeenschappelijke bijgebouwen: toegangspoort, portierswoning en remises. Pas in 1952 kreeg Wallemote een eigen poort.

 

Klik hier voor meer info!

 

Elektriciteitscentrale

elektriciteitscentrale

De elektriciteitscentrale met de stoommachine en de schoorsteen zijn definitief beschermd als monument. Vlaams minister van Onroerend Erfgoed Geert Bourgeois ondertekende het definitieve beschermingsbesluit op 2 maart 2015. Het besluit zorgt ervoor dat de elektriciteitscentrale met de stoommachine met alle leidingen, pompen, condensator, de elektrische installaties met dynamo, alternator en schakelbord en de schoorsteen beschermd zijn als monument.


De definitieve bescherming als monument van deze volledige site zorgt ervoor dat er nu belangrijke stappen kunnen gezet worden naar de opwaardering van de voormalige elektriciteitscentrale. De stoommachine zelf is omwille van de industrieel-archeologische waarde al beschermd sinds 1978. Maar het gebouw en de schoorsteen waren niet beschermd en die zijn aan een dringende opknapbeurt toe. Met de definitieve bescherming kunnen we een beroep doen op verschillende subsidiemogelijkheden en we kunnen de voorbereiding nu ook effectief opstarten.


De totale investering voor de renovatie wordt geraamd op 762.000 euro en de stad verwacht een subsidie van 529.000 euro. De schoorsteen zou volgens de meerjarenplanning in 2016 als eerste aangepakt worden, in 2017 volgt dan het gebouw.


Het gebouw werd in 1936 gebouwd voor de stoommachine. Intussen is deze machine de grootst bewaarde stoommachine in Vlaanderen. De ketel en de oven zijn verdwenen. De schoorsteen, gebouwd in 1929, is dan weer beeldbepalend, is de hoogste en bijna enige overgebleven schoorsteen in Izegem. Vroeger waren er tientallen in de schoenen-en borstelstad.

Sint-Pieterskerk

DSInt-Pieterskerke Sint-Pieterskerk te Emelgem is in haar huidige vorm de oudste kerk van groot-Izegem. Bij opgravingen in 1982 werden de funderingen van een Romaans zaalkerkje blootgelegd, daterend uit de elfde of de twaalfde eeuw. In de loop van de tweede helft van de dertiende eeuw moet dit eerste kerkgebouw vervangen zijn door een kerk in vroege Scheldegotiek. Eén oorspronkelijke spitsboog is bewaard gebleven. De bouw van de huidige kerk is in de vijftiende eeuw te situeren, wat onder meer blijkt uit het formaat van de gebruikte bakstenen.


De middenbeuk, de veldstenen westgevel, twee zuilenrijen en de vieringtoren van de vroeggotische kerk werden bewaard. Door het toevoegen van zijbeuken, die even breed en hoog waren als de middenbeuk, ontstond een hallenkerk.


De bovenbouw van de toren en het hoogkoor zijn van latere datum. Gedurende de periode 1615-1644 werden grote herstellingen doorgevoerd (resultaat van de godsdienstoorlogen!) en tijdens de tweede helft van de achttiende eeuw werd het interieur van de kerk ingrijpend gewijzigd. Het was ook toen dat, de classicistische stijl getrouw, dikke pleisterlagen werden aangebracht.


Wat het interieur betreft, valt de Emelgemse kerk vooral op door haar prachtig houtsnijwerk. Het barokorgel (1777) van Berger werd in 1883 door Forrest omgebouwd tot een romantisch instrument, en in 1970 weer gerestaureerd. Het hele instrument vormt een mooie eenheid met het portaal en het doksaal. De lambrisering met ingewerkte biechtstoelen dateert van 1769 en is in Lodewijk XV-stijl. De communiebank bestaat uit vijftien eikenhouten panelen uit 1780. Pronkstuk is de renaissance-predikstoel, eveneens uit eikenhout (1664).


Doorheen de kerk zijn heel wat kunstwerken verspreid : kruisweg, tabernakel uit de 18de eeuw, kandelaars, heiligenbeelden,... Een speciale vermelding verdient de rijke collectie zilverwerk, meestal religieus vaatwerk uit de periode 1730 - 1765. Bij de restauratie werden in de doopkapel platen aangebracht met de namen van alle gekende Emelgemse pastoors en missionarissen.

Sint-Hiloniuskerk

Sint-TillokerkDe oorspronkelijke Sint-Hiloniuskerk moet in haar oorsprongen teruggaan tot de elfde of twaalfde eeuw, misschien nog vroeger. In alle geval vertoonde zij romaanse én gotische elementen, en in de loop van de zeventiende en de achttiende eeuw werd er flink aan verbouwd. Op een bepaald moment werd het gebouw veel te klein, en het werd dan ook gesloopt in 1852. Op 1 mei 1855 kon het nieuwe gebouw in gebruik worden genomen. De torenspits werd pas in 1868 voltooid.


Het is een driebeukige hallenkerk, één van de eerste grote neogotische kerken in West-Vlaanderen, gebouwd o.l.v. architect P.N. Croquison. Merkwaardig is het ijzeren geraamte van de torenspits.


De oorspronkelijke inrichting was zeer eenvoudig; de nadruk lag op de rijk gebeeldhouwde houten altaren. Tussen 1850 en 1914 werden de wanden veelkleurig beschilderd, en werd gebrandschilderd glas geïnstalleerd. In de twingste eeuw werden heel wat 'verminkingen' aangebracht: zijaltaren werden weggenomen, de blinde vensters in de koorabsissen werden doorbroken, en vanaf 1949 werd de veelkleurige beschildering weggewerkt.

De neogotische inrichting vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw gebeurde onder meer met tussenkomst van baron Jean-Baptiste de Béthune, dé voorman van de neogotiek in Vlaanderen.


Wat het interieur betreft, valt het Sint-Hiloniusschrijn te vermelden, een werk van het huis Bressers-Blanchaert uit 1886 - naar een ontwerp van Béthune - dat alle relikwieën die in de kerk aanwezig zijn, herbergt.

Wat de beelden en schilderijen betreft, had de plaatselijke kunstenaar Dejonghe een ruim aandeel.


Bij de kerkschatten moeten we enkele interessante monstransen en kelken vermelden, bijvoorbeeld een vergulde zilveren kelk van de Brugse edelsmid Jan Crabbe, naast gildebreuken, boeken voor de eredienst, enzomeer.

Gouden Kapel Ave Maria

Gouden kapelDeze kapel is geïntegreerd in het klooster en de school van de zusters van Maria, instellingen gesticht door Joseph van Huerne in het begin van de negentiendede eeuw. Joseph de Pélichy, kleinzoon van van Huerne, bouwde het instituut verder uit, en gaf rond 1845 de kapel haar huidige vorm. Ze moet worden gesitueerd in het réveil van die tijd rond de Mariaverering, vooral teweeggebracht door het dogma van de 'onbevlekte ontvangenis' uit 1854. In haar geheel beschouwd is de kapel één van de gaafst bewaarde ensembles uit die tijd in Vlaanderen.


De kapel is een zaalkerk, gedekt door een tongewelf. De architectuur is zeer eenvoudig, maar de nadruk ligt op de rijke versiering met schilder- en beeldhouwwerk. De stijl is laat-neoclassicisme, een negentiende-eeuwse verwerking van renaissance- en barokelementen.


Het orgel, dat momenteel onbespeelbaar is, is een prachtig instrument van Mercklin-Schützer uit Brussel. De pijpen kwamen uit Parijs.


Op de verdieping is er overigens nog een kleinere kapel, de zogenaamde 'zilveren' kapel, zo geheten naar de zilveren hartjes op de muur, die de congreganisten voorstelden. Ooit was er zelfs nog een 'bronzen' kapel, maar die is verdwenen.

De Beiaard

In de toren van de Sint-Hiloniuskerk hangt een beiaard van 47 klokken (4 octaven), met een totaalgewicht van een goeie tien ton.


Al rond 1550 is er sprake van een soort klokkenspel in Izegem, ontstaan als 'rammel' bij de uurslag. De eigenlijke oprichting van een volwaardige beiaard gebeurde in 1768. Toen werden een aantal oudere klokken versmolten en werd een reeks nieuwe besteld bij Barbieux in Doornik. Het geheel vormde een chromatische reeks van drie octaven.


In 1871 werd de volledige klokkenreeks - die ondertussen in een nieuwe toren hing - naar de gieterij Van Aerschodt te Leuven gebracht voor restauratie. Op 15 november 1873 werd de beiaard opnieuw ingehuldigd

Meer en meer verval trad echter op, en tijdens de eerste wereldoorlog werden praktisch alle klokken door de bezetter opgeëist.

Slechts vier stuks mochten in de toren blijven.


In 1921-1922 worden drie nieuwe luidklokken gegoten door Causard te Tellin. Een jaar nadien start burgemeester Cyriel Staes een actie voor de oprichting van een nieuwe beiaard. Adviseur is Jef Denijn uit Mechelen !

Michiels van Doornik goot 34 nieuwe klokken, en op 12 oktober 1924 werd het nieuwe instrument plechtig ingespeeld.


In 1925 en 1938 werd de beiaard uitgebreid, en zo kwam men tot een geheel van vier octaven.


In 1939 werden praktisch alle klokken naar de gieterij te Doornik gebracht om herstemd te worden. Na het uitbreken van de oorlog besloot men echter om de volledige reeks te hergieten. Die reeks kwam in 1940 tot stand, maar was eigenlijk niet optimaal geslaagd.


In 1943, bij de nieuwe opeisingsgolf, kon nu een volwaardige beiaard verdedigd worden, en uiteindelijk mochten de klokken blijven hangen. De enthousiaste beiaardier Azer Moenaert bleef spelen tot 1955. Nadien kwamen achtereenvolgens Paul Bourgois en Gilain Pouseele in dienst.


In 1982 werd de volledige beiaardinrichting vernieuwd, en werd het instrument van een nieuw klavier voorzien. Frank Deleu was stadsbeiaardier van 1983 tot 1989, gedurende die periode werd er weer werk gemaakt van de wekelijkse beiaardconcerten, namelijk de vrijdagavond van 17 tot 18 uur.


Sedert 1983 is ook een jaarlijkse cyclus zomeravondconcerten met binnen- en buitenlandse gastbeiaardiers in voege gekomen, gewoonlijk van midden juni tot midden juli, en telkens op vrijdagavond van 20 tot 21 uur. In 1990 volgde Koen Cosaert Frank Deleu als stadsbeiaardier op. De traditie van wekelijkse (tussen 1 oktober en 30 april maandelijkse) beiaardbespelingen en zomeravondconcerten blijft behouden.

Andere merkwaardige gebouwen

Bij bijzonder besluit van 1 augustus 1974 werden door de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen zeven hoeven gecatalogeerd:

  • De Coopers, Roeselaarsestraat 596
  • Ter Poorten, Trienhoekstraat 68
  • De Hoge Poort, Lokbeekstraat 2
  • De Hoge Schuur, Gapaardstraat 40
  • Mosscherambacht (Ter Mosten), Beiaardstraat 99
  • De Rode Poort, Kortrijksestraat 191
  • Wallemote, Wallemotestraat 86

De hoeven vallen meestal op door hun indrukwekkende en stoere uiterlijk. In het interieur zijn veelal merkwaardige zaken bewaard aan huisraad, meubels, tegels, enzovoort.

Op verschillende plaatsen in Izegem vindt men nog grotere villa's, die traditioneel in de volksmond de naam van 'kasteel' meekregen. Het zijn :

  • Ter Wallen, Kortrijksestraat 59
  • Bosmolens, Kokelarestraat 67
  • Wolvenhof of Wallemote, Kokelarestraat 69

Contact

Dienst VES
Korenmarkt 10
8870 Izegem

051/33.73.03 Contacteer ons